Echte heren

slechtmindernormaalgoedbest


Ik stap de ruimte met auto's en lawaai binnen. De lucht van olie, smeer en uitlaatgassen dringt in mijn neus terwijl ik zoek naar iemand om mij te helpen.
"Goede morgen mevrouw Waaling," hoor ik van onder een motorkap vandaan. Er komt een hoofd met grijs krulhaar tevoorschijn. De monteur gekleed in grijze stofjas komt op mij af met zijn blik gericht op Elise die haar hoofdje in mijn nek duwt. Ze begint de laatste tijd nogal eenkennig te worden en deze goedbedoelde aandacht is een beetje veel voor haar.
"Is dàt de baby die de vorige keer in zo'n mandje lang?" vraagt hij ongelovig. Ik knik en voel me helmaal thuis op deze vertouwde plek.
Meestal voel ik me juist ongemakkelijk als iemand me mevrouw noemt. Ik zie mezelf nog steeds niet zo ondanks het feit dat ik volgend jaar veertig ga worden. Het is niet dat ik mezelf nog steeds een meisje vind maar voor de titel mevrouw ben ik niet geschikt. Het is moeilijk aan te geven waarom een mevrouw in mijn beleving een mevrouw is. Het heeft beslist iets met de manier van kleden te maken. De kleding van mevrouwen is altijd heel en schoon. Het kapsel is misschien wat stijfjes maar altijd verzorgd. Mevrouwen lopen op nette schoenen, liefst met hakje of op verstandige stappers. Hun huizen zijn keurig aan kant en ze serveren een koekje bij de thee. Kortom, mevrouwen zijn anders dan ik.
Mijn haar zit vandaag onmogelijk omdat het me de laatste week maar niet gelukt is om naar de kapper te gaan. Ik heb me gehaast om hier op tijd te zijn en dat betekent dat het thuis een enorme puinhoop is en verder zit Elise onder de banaan waarmee ze zich op weg hierheen insmeerde. Dat zou een mevrouw niet overkomen. Die is in staat om uit een tent te komen met een perfecte coiffure met aan haar hand een engel van een dochter in gestreken jurkje. Met een zakdoek probeer ik Elise te fatsoeneren die nu voorzichtig naar de monteur gluurt. Vervolgens diep ik uit mijn ondamesachtig uitpuilende jaszak en flesje drinken waar ze gretig haar handjes naar uitsteekt.
De monteur, intussen, herinnert zich als de dag van gisteren de geboorte van zijn eigen kroost en vertelt me trots dat de één inmiddels voor haar eindexamen zit en de ander bijna klaar is met zijn koksopleiding. Zoonlief heeft helaas geen belangstelling voor het vak van zijn vader, besluit hij een beetje spijtig. Hij loopt met me naar de koffiekamer waar ik kan wachten tot hij klaar is terwijl drie collegae ons in het voorbijgaan groeten. Als hij er zeker van is dat ik van koffie voorzien op hem kan wachten laat hij Elise en mij achter om onze auto onder handen te nemen.
Elise bekijkt de tijdschriften op een tafeltje in de hoek en ik laat mijn blik over het interieur glijden. De inrichting is al zeker twintig jaar hetzelfde. Bruin-beige vloertegels, tafel met formica blad, houten dressoir en donkergroene kunststof stoelen. Ik kijk door het raam naar de rustige bedrijvigheid van de heren in hun grijze stofjassen. Ze zijn allemaal rond de zestig. Eén heeft een niet brandende sigaar in zijn mond. Er heeft zich al in geen jaren een stagiaire aangemeld die de kritiek van deze vaklui heeft kunnen doorstaan. Uit frustratie nemen ze helemaal geen jongens in opleiding meer aan. Het is een uitstervend ras.
Terwijl ik van mijn koffie geniet bedenk ik me dat het leven er hier zo bedrieglijk simpel uitziet. Deze vaklui behandelen mij als hun gewaardeerde klant en ik rij al jaren vele kilometers naar deze garage omdat zij de enigen zijn die ik vertrouw in de dubieuze autowereld. Zij meten mij niet naar de maatstaven die ik voor mevrouwen heb aangelegd. In hun ogen ben ik een mevrouw en in mijn ogen zijn zij echte heren.

vorige:Niet groot, niet klein
volgende:Bloedzuigers