Aaibaarheidsfactor

slechtmindernormaalgoedbest


Op de eerste avond van mijn verblijf in Amerika dacht ik dat ik er eentje in de schemering weg zag rennen maar de volgende ochtend wist ik het zeker. Langs de kant van de weg lag een schijnbaar onbeschadigde wasbeer. Ik had hem zò willen meenemen, zo zacht en aaibaar zag hij er uit. Een egaal lichtgrijs lijfje met een zwart-wit gestreepte staart en een donker koppie. Mijn collega had er goed de vaart in zodat ik niet uitgebreid kon kijken maar ik zag nog net zijn boevensnoet. Ik onderdrukte de neiging om te vragen terug te gaan. Het had geen zin om toe te geven aan mijn haast onweerstaanbare drang hem te gaan aaien.
Het was de invloed van de aaibaarheidsfactor. Kousbroek lanceerde deze term al in 1969. Sommige dieren zoals vissen zijn tamelijk onaaibaar terwijl de wasbeer, bij mij althans, zeer hoog scoort. De aaibaarheidsfactor heeft grotendeels te maken met het effect wat de aanblik van het beest met de waarnemer doet en minder met het karakter van het dier zelf. Zo zijn panda's behept met een hoge factor, een feit wat handig benut wordt om geld voor de bescherming van hun leefmilieu te bemachtigen, terwijl het toch nare beesten zijn. Oppassers worden regelmatig gebeten door deze trage sacherijnige beesten. Ook qua wasbeer zou ik beter moeten weten. De natuur heeft ze niet voor niets voorzien van een zwart maskertje. Mijn eerste kennismaking met twee exemplaren van deze soort was op een camping in Florida waar er één onverwacht op een avond langs mijn been streek. De grootste inspecteerde onze pan waarin een bodem macaroni in water stond te weken en ging er heel schattig zijn handjes in wassen. Geheel vertederd en daarna verbaasd zagen we hoe het beest met pan en al in een boom verdween. 's Nachts hoorde ik de pan uit de boom vallen maar 's ochtends was er geen spoor van pan of wasbeer te bekennen. Tot op heden ontbreekt de grootste pan aan onze set. Boeven zijn het.
De behoefte om te aaien is menselijk. We geven meer geld voor acties waarbij een aaibaar dier wordt beschermd, we houden aaibare dieren in huis (meer poezen, konijnen en honden dan slangen), en kinderen hebben onwaarschijnlijke hoeveelheden knuffels. Onze kinderen hebben samen drie verhuisdozen vol waardoor we laatst op een regenachtige dag een opblaasbadje vol gestort hebben om een knuffelbad te nemen.
Is de aantrekkingkracht van harig en zacht een compensatie voor het vlooien en aaien wat onze voorvaderen deden en dat op de achtergrond is geraakt sinds we onze haren zijn verloren? Misschien, maar gelukkig zijn wij mensen ook gevoelig voor de aantrekkingskracht van sommige wezens die geen haar hebben. Onlangs was ik geheel onder betovering van een perfect kaal wezentje. Het was op een nieuwjaarsreceptie van Martin's werk dat ik in de ogen keek van een acht maanden oude baby. Hij keek me vanaf zijn moeders schoot steeds even guitig aan. Deze volleerde sjanstechniek miste zijn uitwerking niet. Bijna op dezelfde manier als bij de wasbeer kon ik de neiging tot aanraken bijna niet weerstaan. Zijn moeder had mijn behoefte wel gezien en even later zat ik met het kale ventje heerlijk te knuffelen.

vorige:Overbodig
volgende:Verherbouwen