'Ik heb hem,' zegt Van Horst.
'Een jongetje!' meldt MariŽt.
Uitgeput lig ik achterover. Ik kan me niet oprichten. Daar wordt een bundeltje in mijn armen gedrukt.
'Gijsje,' zeg ik en kijk onder de doek.
Even schrik ik want ik zie witte ribbels op zijn hoofd. Zijn het hersenen? Nee, het zijn huidplooien met heel veel smeer. Martin heeft een arm om me heengeslagen.
'Wat mooi,' zegt hij en hij kijkt me zielsgelukkig aan met tranen in zijn ogen.
'Dag, mannetje,' zeg ik. 'Dag Gijsje.'
Gijsje maakt geluidjes en MariŽt zuigt zijn mondje uit. Nu zet onze prachtkerel het op een brullen. Wat een mooi jongetje. Overal haartjes en een prachtig koppie.
'Ik ben zo gelukkig,' fluistert Martin in mijn oor.
Ik ben zo moe. Ik zie in mijn ooghoek dat Van Horst de schaar in de hand heeft voor de navelstreng. Hij knipt die door. Niet Martin zoals de vorige keer. Wij kijken naar Gijs. Gijs maakt lieve caviageluidjes en lijkt het niet eens te merken dat hij los van me is.
Hij leeft.

vorige:Fragment 1
volgende:Fragment 3