Voetballuh

slechtmindernormaalgoedbest


Er lijken grofweg twee groepen mensen te bestaan. Die van voetbal houden en die daar niets van moeten hebben. Vroeger hoorde ik tot de laatste groep. Onbekend maakt onbemind. Ik had geen voetballende vader of broer en ik begreep er niets van, dus boeide het niet om volwassenen op tv door elkaar heen te zien rennen.
Mijn eerste voetbalherinnering is dat ik als logee van een voetbalminnende oom en tante samen met mijn neefje en nichtje mee mocht naar de kroeg om Oranje te zien spelen in de WK-finale 1974. Als 11-jarige die nog nooit een kroeg van binnen had gezien keek ik mijn ogen uit. Ook weet ik nog dat ik enorm medelijden had met Neeskens die in zijn kruis getrapt minuten lang lag te kronkelen op de mat. En dat in een tijd dat ze nog niet van Schwalbe’s gehoord hadden. Ik vond het maar een ruig spel.
Tijdens mijn studie deed Oranje het verassend goed tijdens het EK 1988 en kon je niet anders dan met een aantal studenten samen de wedstrijden bekijken. Toen het ongelofelijke gebeurde en we kampioen werden liep iedereen door de stad opgetuigd met alles wat maar oranje was. Ik heb een jongen rond zien fietsen met lege zak kattenbakgrit op zijn hoofd om ook maar iets oranjes aan te hebben. Het was een geweldig feest maar ik snapte nog steeds niets van de buitenspelregel.
Tien jaar later, als moeder van een vierjarig broekenmannetje wilde mijn zoon op voetbal. ‘Als ‘tie maar geen voetballer wordt, ze schoppen hem misschien halfdood’ zong Boudewijn de Groot en ik vreesde voor mijn lieve kleine schat. Vader en zoon stortten zich op het voetbal en ik had een heerlijke vrije zaterdagochtend om het weekend mee te beginnen alsmede een hoop was door de week.
Nog tien jaar later was mijn dochter van 6 niet meer te houden. Als vaste mascotte van het team van Sebastiaan wilde Elise nu ook dolgraag een F-je worden. Ze had al jaren de kameraadschap en het spelletje vanaf de zijlijn mogen meemaken maar nu wilde ze zelf. En dus stond ik heel vroeg op een zaterdagochtend te kijken hoe mijn dochter - die de vorige dag nog als een roze biggetje bij ballet rondhuppelde - voor het eerst tegen de heilige grasmat sloeg. Geen probleem, het ventje wat de oorzaak van de val was kreeg even later een duw terug en ik werd de vaste supporter van mijn dochter.
Iedere zaterdagochtend gaan we eropuit. Elise merkt wat het is om onderdeel te zijn van een team, en ik leer de ouders van de pupillen kennen. En langzaamaan kreeg het spel me te pakken. Tegen de overheidsadviezen in sta ik me schor te schreeuwen aan de kant. Niet omdat mijn kind moet presteren maar uit pure betrokkenheid bij het spel. We staan in de seizoensfinale en vanavond valt de beslissing. Het spel gaat gelijk op tussen de partijen en de adrenaline giert door mijn lijf. Ouders, Opa’s, Oma’s, de trainer, broers en zussen leven mee met ons F9 wat het uiteindelijk nèt niet redt. Trots sluit ik mijn enthousiaste bezwete vice-kampioene in de armen. En ik weet zeker, ik ben een voetbal-fan.

vorige:Het grote geheim
volgende:Pruimenstress