Huisgenoot

slechtmindernormaalgoedbest


Ik rijd met de kinderen terug naar huis van een dagje aan zee. We hebben het heerlijk gehad en zijn goed uitgewaaid en toch voel ik me ineens een beetje verdrietig. Het duurt even voor ik me realiseer dat ik op de weg rijd waar ik een jaar geleden reed met onze poes.
Nozem lag vredig in zijn mandje. Aan poezen kan je namelijk niet zomaar zien of het goed met ze gaat of niet. Hun mooie vacht verdoezelt de tekenen van ziekte zoals die bij mensen zo goed te zien zijn. Geen wallen onder de ogen, geen grauwe huid en ook niet groen van de misselijkheid. Ik begrijp dan ook niet waarom ze zeggen dat iemand zo misselijk is als een kat. Ik heb in die negentien jaar dat onze kat bij ons was nog nooit zoiets gezien.
Ik was de vorige keer dat ik hier reed op weg naar het dierencrematorium. We wisten al een tijdje dat onze bejaarde met hartpilletjes in de verlenging leefde maar ineens was het zover. Hij kwam een dag niet meer uit z’n mandje en ’s avonds bleken zijn achterpootjes al stijf. We hebben Sebastiaan verteld dat we naar de dierenarts moesten en dat we bang waren dat dit het einde zou zijn. Hij heeft nog een poos het spinnende beest geaaid in een onderonsje waarbij al het nodige is gezegd.
Sebastiaan wilde Nozem niet meer zien, zei hij toen ik hem belde dat de kat was overleden. Toch namen we het beest mee naar huis want het leek ons niet goed een vijfjarig meisje het afscheid te onthouden. Bij thuiskomst hebben we het mandje in de garage gezet en Sebastiaan getroost voor zover dat ging.
Elise keek me ’s ochtends ongelovig aan toen ik zei dat de poes was overleden. “Echt waar?” zei ze met een gezicht waarop te lezen stond dat ze het zich niet voor kon stellen. “Kom maar mee” zei ik en nam haar mee naar het plekje waar de mand altijd stond en Martin de poes in slaappositie had opgebaard. Hij zag er zo gewoon uit. De oortjes rechtop en aan de glanzende vacht niets te zien. “Nozem”, riep ze een aantal keer met steeds luidere stem. Ze keerde zich daarna om en ging ontbijten. Bij het afruimen van de tafel zag ik dat ze terugliep naar de mand. Ze keek een poosje naar het beestje waar geen beweging in zat en ineens gaf ze een fel trapje tegen zijn mand. Geen reactie. Toch even testen.
In familieberaad hebben we besloten dat we de poes zouden cremeren zodat we hem konden uitstrooien op een geliefde plek. Dat had nog wel wat voeten in aarde. Vooral Elise moest even wennen aan het idee dat ze de kat in een ommezien zouden veranderen in zand. En ook toen de urn thuiskwam heeft ze goed gekeken hoeveel zand er nu eigenlijk in een poes schuilt.
Nog voordat met ceremonieel de restjes uitgestrooid waren deed zich al de vraag voor wie het beest zou moeten opvolgen. De kinderen hadden wel een nieuwe poes gewild. Maar wij zagen ons al met een opvolger het bejaardenhuis ingaan en probeerden uit te leggen dat een nieuw poesje altijd anders zou zijn dan datgene wat we gewend waren. Dat het wel heel lastig zou zijn om niet hetzelfde te verwachten van zo’n nieuw beestje. Het was Elise bijna gelukt om ons te overreden toen ze met een smekend gezichtje de oplossing voor dit probleem voorstelde: “maar dan nemen we er toch eentje met een ander kleur velletje?”
Het werd uiteindelijk een konijn.

vorige:Dodenherdenking
volgende:Stofzuiggevoel